Jaap Dik (1943-2020) leerde de autobranche vliegen

Foto Robin Britstra

Een woedende Jaap Dik aan de telefoon. Het was 1990, ik werkte op de redactie van AutomobielManagement, het blad bestond tien jaar en in het feestelijke jubileumnummer hadden we een grappig stukje geschreven – wij vonden het allemaal grappig – over Jaap Dik die een autobedrijf was begonnen in het oosten van het land. Na tien jaar AutomobielManagement (AM) had hij zijn schaapjes op het droge en ging hij zijn hobby uitoefenen. Schreven wij. Verzonnen wij. Precies, wij vonden het allemaal grappig. ‘Maar hij is bijna nooit op de zaak’, sloten we het stukje af, ‘hij schijnt een relatie te hebben in de randstad.’

Bleek er echt een Jaap Dik te bestaan met een autobedrijf, in Assen. Dat bedrijf heette nota bene ook Jaap Dik. Zo heet het nog steeds, trouwens. Dit verzin je niet. Wij wisten ook helemaal niet van die naamgenoot. Maar die Jaap Dik belde dus die dag. Witheet. Wat wij wel niet dachten etc etc. Om zijn goede naam zo door het slijk te halen etc etc. Enfin, we konden het uitleggen. Uiteraard. Maar die man bleef woest. Hij dacht dat wij het erom deden.

De lol die je dan hebt na het neerleggen van de telefoon. Geen vermaak als leedvermaak, zeker niet als gedééld leedvermaak. 

Zoals ook de dag dat we op de voorpagina een stukje schreven over weer een nieuw feestmoment. De 150ste AM. Het was een maandblad in krantvorm, dat in hoogtijdagen vaker verscheen, dus het zal ergens in 1991 zijn geweest. We rekenden uit dat bij een gemiddelde oplage van rond de 26.000 er al vier miljoen krantjes waren gedrukt. We schreven in een kadertje onder de vouw iets als ‘Gefeliciteerd! U hebt het viermiljoenste exemplaar van AM in handen. Stuur hem op om de prijs te winnen.’ En verdomd, er stuurde echt iemand de viermiljoenste krant terug, een garagehouder, uit Rumpt of Echt of zo. ‘Ik heb hem!’. Verheugd als een kind. Wij zijn er met een paar redacteuren naartoe gegaan, met een fles champagne en heel veel goeie zin. In het volgende nummer drukten we de foto’s van de feestelijke overhandiging af, met vrolijke fotobijschriften.

Dit soort dingen doe je als vakbladredactie alleen als de baas heeft gezorgd dat je dit kunt doen als vakbladredactie. Dat je het ook dóét. Zonder er als baas bovenop te zitten. Dat kon Jaap Dik. Hij inspireerde je, en hij vertrouwde erop dat wij, de rookies, zelf wisten wanneer we moesten remmen. En als iets uit de bocht vloog gaf hij steevast ons als ‘jonge honden’ de schuld – zoals wij andersom hem de schuld konden geven. Een mengeling van magie en liefdevolle verwaarlozing – de term leiderschap was toen nog niet bon ton.

Vanaf het moment dat Jaap je vertrouwde liet hij je begaan. Zoals een vader dat doet met zijn kinderen. Je schopt ze de wereld in en ze redden het in de wereld omdat je ze bewust en onbewust allerlei dingen hebt meegegeven. Hebt voorgeleefd.

Dat deed Jaap Dik ook. 

Hij kon ook sikkeneurig zijn, ook als een vader. Benauwd kijken. Benauwd doen elke keer als ik kwam vragen om een extra redacteur, een hoger budget voor freelancers of een congres, of om een salarisverhoging. ‘We hebben de kerstboom al flink opgetuigd’ monkelde hij dan steevast. Maar het gezeik was altijd van korte duur. We lachten vooral veel, en vooral om elkaars grappen.

Hij nam me aan als junior-redacteur eind 1988 (‘Lijkt het je wel leuk om je bezig te houden met de verhalen van kleine ondernemers?’ was zijn belangrijkste vraag tijdens het sollicitatiegesprek) en ik bleef er tot januari 1993. Het was mijn eerste echt serieuze baan na mijn studie en ik schopte het tot hoofdredacteur van AM en adjunct-directeur van het 15 m/v tellende bedrijf, Uitgeverij Faktor in Monnickendam.

Ook alle credits voor Ed, Yvonne, Joke, Nelleke, Toos, Hildelies, Jan, Liesbeth, Ellen (Bij ’t Vuur), Frieda, Helga, Marceline, Bianca, Rob, Tim, Paul, Jaap R, Astrid, Freek, Jan, Jos, Fatima, Jan-Dirk, meneer Tessel de koerier, Bert de chauffeur, Ebbo, collega’s die vrienden werden. En natuurlijk Ellen, Jaaps echtgenote, de stralende schoonheid die in katzwijm kon vallen voor Jaap en hem afkatten – en dat soms tegelijk – waar je bij stond.

Op enkele dagen na in mijn eerste maand – het regende en het was november – heb ik in die vier, vijf jaar geen dag verzuimd. Ik keek, ik las en ik luisterde. Ik leerde. 

Hoe je mensen moest bellen.

Hoe je onmogelijke dingen voor elkaar kreeg. 

Hoe je problemen oploste met een glimlach. 

Hoe je vrienden maakte. En vijanden, soms. 

Ik leerde schrijven, interviewen, venijnige commentaartjes schrijven. 

Ik leerde hoe je onderhandelde met de drukker.

Hoe je wisselgeld gebruikte in de verhouding zetwerk en via een 14k4-modem door te seinen tekst met opmaakcodes waarmee altijd wat fout ging (jaja, opa vertelt).

Hoe je alles gedaan kreeg bij de opmakers bij drukkerij Salland in Deventer (en ’s ochtends om 8 uur trakteerde wie jarig was op kroketten, zij ook ons).

Hoe je oesters at.

Dat je de actuele RAI-verkoopranglijst in je hoofd moest hebben voor je de directeuren van auto-importeurs aan hun taas trok. 

Hoe je brieven schreef.

Hoe je je ideeën verkocht.

Hoe je in een vergadering je zin krijgt door anderen tot de conclusie te laten komen dat het moet zoals jij wil.

Hoe je partnerships opzette met mensen in aanpalende branches, reclame, consultancybureaus, logistiek, collega-media.

Dat je mensen die echt belangrijk waren – of zich zo moesten voelen  – moest uitnodigen in Neeltje Pater in Broek in Waterland, in The Grand, bij een van de Fagels of een ander sterrenrestaurant.

Hoe je op de persdag van de AutoRAI zorgde dat je de directeur van Peugeot Frankrijk exclusief kon interviewen. 

Hoe je Gerard van Lennep overtuigde een stuk voor je blad te schrijven.

Hoe je een congres organiseerde.

Hoe je de CEO van Akzo overhaalde om zitting te nemen in een Comité van Aanbeveling.

Dat je naar Keulen moest rijden om dé specialist op het gebied van het prijzen van gebruikte auto’s te interviewen en hem vervolgens moest strikken om een seminar over die specialisatie te komen geven in een Van der Valk-hotel in Nieuwegein. Waar zomaar 500 mensen kwamen omdat we het goed aanpakten en mediabereik – en adressen – hadden.

Hoe je 600 man op een congres bij Louwman & Parqui in Raamsdonksveer kreeg puur door José Ignacio López, de beruchte supersaneerder van Volkswagen, te strikken (gewoon via Karel Bos, de rijzige naamgever van trekhaken- en uitlatengigant Bosal).

Hoe je de stalmeester van de koningin (Hans van den Hout, nogmaals dank) overhaalde voor de jury van de Executive Car of the Year.

Hoe je zo’n prijs verzon.

Hoe je zorgde dat NRC erover schreef.

Hoe je de winnaar overhaalde het bijbehorende feestje te betalen.

Hoe je feestvierde sowieso.

Hoe je een netwerk bouwde.

Hoe je mensen in de watten legde, met jaarlijks in september culinaire feestjes in Restaurant Stuttenburgh in AM-hometown Monnickendam waar ze op vijftien manieren mosselen klaarmaakten (Mosselmaandag). Met elke twee jaar een galadiner in het Amstel Hotel voorafgaand aan de Autovak in Amsterdam RAI dat gerust veertigduizend gulden mocht kosten.

Hoe je zorgde dat je op autobeurzen of persconferenties de bestuursvoorzitter van het automerk te spreken kreeg.

Hoe je rustig moest autorijden.

Hoe je moest speechen (veel humor, veel persoonlijke anekdotes en De Telegraaf van die ochtend spellen).

Hoe je sprekers die nét iets te lang doorgaan op jouw congres van het podium moet halen.

Hoe je de Westergasfabriek afhuurde voor een congres in november en hoe je het programma dan ’s middags inkort omdat het te koud is en je niet genoeg warmtekanonnen hebt ingehuurd.

Hoe je mensen aannam in je bedrijf (ik ging steevast met de twee overgebleven kandidaten lunchen in een erg goed restaurant).

Hoe je een nieuw blad in de markt zette (GT90).

Hoe je een blad in België begon, AM België.

Hoe je een blad dat mislukte moest stopzetten (van Jaap leerde ik ook de term Jezus Christus-syndroom, het syndroom van de ondernemer die succes heeft en vervolgens denkt dat ie alles kan, hoe toepasselijk nu in de lijdensweek).

Hoe lekker friet overgoten met stoofvlees in een Belgische truckertent is. 

Kortom, hoe het maken en runnen van een vakblad en live to tell the tale mensenwerk is.

Als een vakblad maken een gilde is, was hij de gildemeester. Grolsch had er zo’n Vakmanschap is meesterschap-filmpje van kunnen brouwen. Jaap had de people’s business uitgevonden. Als hij een afspraak had in Limburg of Friesland, stapte hij vaak een willekeurig klein autobedrijf binnen om ook van de mensen die normaal niet in beeld komen te horen hoe zij met hun vak omgingen. De directeur stond dan met the story of his life op een hele pagina in AM. Mensen willen over mensen lezen, wist Jaap.

Kortom 2, Jaap Dik leerde mij vliegen.

En heel veel anderen. Jaap bracht met AM en alles eromheen de autobranche verder, door de mensen in die wereld te informeren, te amuseren, te frapperen, te emanciperen. Toen Jaap in 1980 met AM begon (met een tweede hypotheek en Ellen moest haar sieraden inbrengen) had je niks anders dan het Bovagblad, meer clubblad dan vakblad, en Auto & Motor Techniek (uitsluitend technisch). Marketing, reclame, verkoop, management, oog voor de klant, hoe je de tent runt, dat bracht Jaap de autowereld binnen. Het belang van autoleasing en fleetsales voor de branche, telecommunicatie, telematica. En human interest. Het materiaal waarmee goeie blaadjes worden gemaakt. Dat menigeen AM aanduidde als de Privé van de autowereld zag Jaap als een compliment.

In de jaren negentig ontsproten twee andere vakbladen – indirect – uit AM, Automotive en Aftersales Magazine. Beide titels zijn anno 2020 nog alive & kicking, net als AM zelf, dat Jaap in 1995 verkocht aan Kluwer (dat het later overdeed aan MYbusinessmedia, dat AM eind 2018 weer overdeed aan ProMedia Group).

Ik zelf was kort daarvoor, in januari 1994, vertrokken, uiteraard in stijl gevierd met een diner met alle Faktor-medewerkers in Tout Court van John Fagel.

Eerlijk is eerlijk, Jaap had de pest in. Ik zou de uitgeverij tenslotte overnemen, betaald uit de winstpremie die ik bovenop mijn salaris kreeg. Maar ik wilde iets anders. Meer schrijven. Ik was 30. En wilde vliegen.

Zoals Jaap mij dat had geleerd.

Lang bleef Jaap niet mokken. Misschien een week haha. Toen in 1998 mijn oudste twee dochters werden geboren, kwam hij op kraamvisite met precies de cadeaus die je dan wilt hebben: de complete Jip en Janneke en een fles Johnnie Walker. En nadat ik in 2007 mijn eerste boek publiceerde, De bedrijfsnamenfabriek bij Nieuw Amsterdam, stuurde hij me een felicitatiemail die haast langer was dan dit stuk. Hij zag in alle publiciteit rond mijn boek een ‘heuse Wijman-hausse’. Hij schreef, op zijn typisch Jaaps: ‘Zou mij niet verbazen als ze zelfs mij nog weten te vinden. Had u meteen al door dat die Wijman een Groot Talent was? Tuurlijk, dat zag ik meteen.’

Hij begon die mail met het uitspreken van ‘vaderlijke’ trots, mét die aanhalingstekens, en sloot hem af met ‘Goed gedaan jochie.’ Moet ik nog meer zeggen.

En nu is hij dood. Hij overleed op 6 april. Maar nu, met Pasen, verrijst hij weer. Hij schijnt een relatie te hebben in de randstad.

Erwin Wijman

Erwin WijmanJaap Dik (1943-2020) leerde de autobranche vliegen

Leave a Comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.